België gaf in 2005 $1,98 miljard uit aan officiële ontwikkelingshulp (ODA), hetgeen 0,53% uitmaakt van het BNI. Voor 2007 werd de Belgische ODA vastgelegd op 0,55% van het BNI. België heeft zich eveneens verbonden in 2010 een niveau van ontwikkelinghulp van 0,7% van het BNP te halen. In 2005 was België de 6de grootste netto ODA donor (berekend als percentage van BNI) en de 13de grootste ODA donor in absolute cijfers ter wereld.  Ongeveer driekwart van de Belgische ODA is bestemd voor de minst ontwikkelde en lage-inkomen-landen. Ongeveer 60% van de hulp gaat naar Sub-Sahara Afrika, waarvan het grootste deel bestemd is voor D.R. Congo. De grootste ontvangers van Belgisch hulpgeld waren in 2005 (in afnemende grootte): D.R. Congo, Rwanda, Vietnam, Ecuador, Peru, Senegal, de Palestijnse gebieden, Niger, Algerije en Burundi. Verdeeld over de verschillende sectoren ging het grootste gedeelte van het Belgische hulpgeld in 2005 naar de formele banksector (21%), onderwijs en training (10%), gezondheidszorg (7%) en landbouw en visserij (6%).  De uitvoering van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid wordt gedelegeerd aan de Directie-Generaal Ontwikkelingssamenwerking (DGOS), die momenteel wordt geleid door dhr. Armand De Decker, Minister van Ontwikkelingssamenwerking. In 1998 werd een naamloze vennootschap naar publiek recht opgericht, de Belgische Technische Coöperatie (BTC), om de bilaterale hulp uit te voeren. In 2001 werd ook een fonds ter bevordering van privé-investeringen in ontwikkelingslanden opgericht (BIO).  België doet ook een beroep op een uitgebreid netwerk van organisaties die actief zijn in de ontwikkelingssamenwerking (ngo's, universiteiten, Belgisch Overlevingsfonds,...) en draagt bij tot de multilaterale samenwerking via de Europese Unie en verschillende agentschappen van de Verenigde Naties (waaronder de Wereldbank). In 2005 werd een budget van 419 miljoen euro ODA toegekend aan multilaterale samenwerking, hetgeen ongeveer 30% uitmaakt van het Belgisch totaal van ODA.  |